Of het nu in de industriële productie, het ambacht of het laboratorium is: nauwkeurige meetresultaten zijn essentieel. Maar zelfs hoogwaardige meetgereedschappen leveren alleen betrouwbare waarden als ze correct worden gebruikt. In de praktijk sluipen er echter steeds weer kleine fouten in die grote gevolgen kunnen hebben.
In dit artikel laten we u de meest voorkomende fouten zien bij het meten met gangbare handmeetmiddelen en geven we tips om deze te voorkomen.
1. Algemeen
1.1. Vuil en stof
Stof, olieresten of metaalspanen kunnen de meetresultaten vertekenen. Zelfs de kleinste deeltjes tussen het meetvlak en het werkstuk zijn voldoende om het resultaat aanzienlijk te vertekenen.
Reinig zowel het meetgereedschap als het werkstuk grondig vóór elke meting. Een pluisvrije doek of speciale reinigingsdoekjes zijn hiervoor ideaal. Gebruik geen organische oplosmiddelen (verdunner, wasbenzine enz.). Deze kunnen het apparaat beschadigen. Reinig de bewegende delen met een in corrosiebeschermende olie gedrenkte doek om roestvorming te voorkomen.
1.2. Temperatuur
Meetgereedschappen en werkstukken zetten uit bij warmte en krimpen bij kou. Een temperatuurverschil van slechts enkele graden kan al meetbare afwijkingen veroorzaken. Laat het gereedschap en het werkstuk acclimatiseren, idealiter bij 20°C. Vermijd metingen direct na het bewerken of aanraken van het werkstuk.

Deze grafiek toont de uitzetting van een buitenmicrometer door warmteoverdracht wanneer de beugel in de blote hand wordt gehouden. In de grafiek zijn de ontstane uitzetting in µm en de daardoor mogelijke meetfout te zien. Een aangebrachte warmte-isolatie of handschoenen vermindert dit effect aanzienlijk.
1.3. Slijtage en beschadigingen
Meetvlakken, aambeelden of spindels slijten na verloop van tijd. Kleine inkepingen of vervormingen zijn vaak nauwelijks zichtbaar, maar kunnen de meetresultaten vertekenen.
Controleer uw gereedschap regelmatig op slijtage en beschadigingen. Bewaar het meetgereedschap in de daarvoor bestemde etui en bescherm het tegen grote hitte en vocht, evenals tegen stof en olienevel. Breng vóór een langere opslag van het apparaat een corrosiebeschermende laag aan om roestvorming te voorkomen.
TIP: Regelmatig kalibreren
Een jaarlijkse kalibratie wordt vooral bij professioneel gebruik aanbevolen. Wij bieden kalibraties van eigen en andere merken aan in ons interne kalibratielaboratorium. Neem contact met ons op.
2. Gereedschapsspecifieke meetfouten
2.1. Schuifmaat
2.1.1. Overmatige krachtuitoefening
De schuifmaat beschikt niet over een voorziening voor een constante meetkracht, zoals de gevoelsratel van een buitenmicrometer. Let erop dat u tijdens het meten van uw werkstukken een constante kracht toepast en het werkstuk zo hoog mogelijk tussen de meetbekken meet.

Als de bewegende meetbek tijdens het meten wegkantelt en daardoor niet meer parallel aan de vaste meetbek staat, bijvoorbeeld omdat er overmatige kracht op de schuif wordt uitgeoefend of omdat de referentierand niet recht is, ontstaat er een meetfout.

2.1.2. Parallaxfout
Kijk recht naar de deelstreep van de nonius wanneer u de uitlijning van de deelstrepen van de nonius met die van de hoofdverdeling controleert.

Wanneer u vanuit een schuine richting naar een deelstreep van de nonius kijkt, wordt de schijnbare uitlijningspositie, zoals weergegeven in de afbeelding, door ΔX vervormd als gevolg van een parallaxeffect dat wordt veroorzaakt door de hoogte H van de tussenruimte tussen de vlakken van de deelstrepen van de nonius en die van de hoofdverdeling. Dit leidt tot een fout bij het aflezen van de meetwaarde. Om deze fout te voorkomen, mag de tussenruimte volgens JIS niet meer dan 0,3 mm bedragen.
2.1.3. Binnenmeting van een te kleine diameter
De scherp gekante meetbekken voor binnenmetingen mogen niet worden gebruikt voor het meten van boringen met een diameter van minder dan ongeveer 3 mm. De snijkanten van de binnenmeetbekken kunnen hierbij niet op de uiterste punten van de boring aansluiten, wat tot een onjuist meetresultaat leidt.

2.1.4. Kantelen bij de diepteschuifmaat
Let er bij het meten met een diepteschuifmaat op dat het referentievlak schoon en braamvrij is. De meetbrug moet volledig op het referentievlak liggen en mag niet kantelen. Gebruik het meetgereedschap indien mogelijk in verticale richting, vooral bij lange meetbruggen.

2.2. Meetmicrometers
2.2.1. Algemene hantering
Zorg ervoor dat er geen verontreinigingen op de meetvlakken zitten. Deze kunt u eenvoudig verwijderen door een schoon vel papier tussen de meetvlakken te klemmen (alsof u de dikte ervan wilt meten) en het vervolgens langzaam eruit te trekken.

Let erop dat u de micrometer spanningsvrij en recht in de houder bevestigt, zodat het gereedschap tijdens de meting niet beweegt.
Draai de meetvlakken na gebruik ongeveer 1–2 mm uit elkaar en klem de spil niet vast.
2.2.2. Parallaxfout
Ook bij micrometers kan bij het aflezen van de meetresultaten een parallaxfout optreden. Kijk daarom bij het aflezen van de maatstrepen op de trommel altijd recht van boven op de referentielijn. Wanneer de maatstrepen vanuit een hoek worden bekeken, kan de juiste uitlijningspositie van de lijnen niet worden afgelezen.

TIP: Tussentijdse waarden schatten
De schaalverdeling van de trommel kan ook op intervallen van 0,001 mm worden geschat wanneer de lijnen bijna over elkaar liggen, omdat de lijndikte 1/5 bedraagt van de afstand tussen de betreffende lijnen.

2.2.3. Meetkracht
Gebruik bij het meten altijd de gevoelsratel, de rateltrommel of de frictietrommel. Breng de meetvlakken langzaam met elkaar in contact en bedien de gevoelsratel meerdere keren (2–3 omwentelingen) om een constante meetkracht uit te oefenen. Een te hoge of te lage meetkracht kan de meetnauwkeurigheid beïnvloeden. Let erop dat u de bovenwaarde van het meetbereik niet overschrijdt, omdat dit de micrometer kan beschadigen. Draai de spil niet verder in wanneer u weerstand voelt.
2.2.4. De referentie instellen
Voer regelmatig met behulp van een gekalibreerde eindmaat of instelring de basisinstelling en, indien nodig, een afstelling van de micrometer uit. Vooral bij veelvuldig gebruik of wisselende omgevingsomstandigheden is controle van de referentie onmisbaar om nauwkeurige meetresultaten te garanderen.

Als u bij een driepunts-binnenmicrometer slechts een deel van het meetoppervlak (contactlijn) gebruikt om te meten, let er dan op dat u het referentiepunt op dezelfde positie van het meetoppervlak instelt. Volg de algemene regel: stel op dezelfde manier in als u meet.

2.3. Meetklokken
2.3.1. Algemene bediening
Gebruik een houder die tijdens normaal gebruik niet aanzienlijk verdraait. Houd er ook rekening mee dat oneffenheden in het referentievlak meetfouten kunnen veroorzaken.
Schuif de meetstift bij het op nul zetten minstens 0,2 mm uit de aanslagpositie terug om de omkeerfout te compenseren die ontstaat bij het veranderen van de bewegingsrichting.
Vermijd een snelle beweging van de meetstift en oefen geen kracht in dwarsrichting uit om de nauwkeurigheid niet te beïnvloeden.
Gebruik een hefboom of draadafnemer om de meetstift van het werkstuk op te tillen.
2.3.2. Onnauwkeurige uitlijning van de meetstift

Om meetfouten door een niet-haakse positionering van de meetstift ten opzichte van de tafel te voorkomen, moet de meetstift precies op de beoogde meetrichting worden uitgelijnd. Als de meetstift niet loodrecht op het meetoppervlak staat, wordt een grotere afstand gemeten dan er daadwerkelijk aanwezig is. Gebruik bij voorkeur een torsiestijve precisiemeettafel met houder voor een meetklok.
2.3.4. Parallaxfout
Ook bij analoge meetklokken ontstaat er een fout wanneer de schaal niet precies loodrecht van voren, maar vanuit een schuine kijkhoek wordt afgelezen. Daarom moet ook hier altijd op ooghoogte en zo veel mogelijk haaks op de schaal worden afgelezen.
2.3.5. Verkeerd meetinzetstuk
Als u speciale metingen uitvoert, moeten de vorm en grootte van het meetinzetstuk op de betreffende meettaak zijn afgestemd. Hiervoor zijn inzetstukken in verschillende vormen verkrijgbaar.
2.4. Hoogtemeters/krasinstrumenten
2.4.1. Optillen van de voet van het referentievlak

Bij het instellen van de hoogte van de krasnaald met behulp van een werkstuk of een eindmaatcombinatie kan het voorkomen dat de voet van het referentievlak wordt opgetild. Dit gebeurt wanneer er te veel neerwaartse kracht op de slede wordt uitgeoefend, wat tot meetafwijkingen leidt. Beweeg de slede daarom langzaam naar beneden terwijl de punt van de krasnaald het eindmaatblok of werkstuk nadert. De instelling is correct wanneer u voelt dat de krasnaald tijdens haar beweging over de rand van het oppervlak dit oppervlak licht raakt.
Heb je vragen of suggesties? Neem contact met ons op!

